Wat deden de vroegere joden met oude Bijbelhandschriften
die, door het veelvuldige gebruik of de tand des tijds, versleten
waren? Er kwamen nieuwe afschriften voor in de plaats maar
de oude geschriften werden niet weggegooid of vernietigd uit
respect voor de heilige naam van God die erin stond. Men borg
de oude documenten op in een soort rustplaats die bij de synagoge
hoorde, de geniza genoemd. Als de geniza te vol raakte bracht
men het materiaal naar gewijde grond, waar het ritueel begraven
werd en op den duur verteerde.
In 1890 ontdekte Solomon Schechter een dergelijke geniza
in Caïro, Egypte. Hij vond er een enorme hoeveelheid
oude handschriften waaronder veel Bijbelfragmenten. Deze geniza
was intact gebleven omdat ze dichtgemetseld was en op deze
manier eeuwenlang verborgen bleef. Aan de grondslag hiervan
lag waarschijnlijk het bijgeloof dat een giftige slang klaar
lag aan de ingang van de geniza om dieven met een dodelijke
beet af te maken.
Tussen deze oude geschriften werd een belangrijk document
gevonden dat omstreeks 128 na Christus door de joodse proseliet
Aquila werd geschreven. Het was een palimpsest, wat “afgeschraapt”
betekent. Van de oorspronkelijk beschreven rol waren de letters
afgeschraapt, om het kostbare schrijfmateriaal opnieuw te
kunnen gebruiken. Onder het latere schrift kon men echter
de oude tekst van Aquila nog zien staan. Het perkament bevat
delen uit de Psalmen die in het Grieks vertaald zijn door
Aquila.
Op verschillende plaatsen is Gods naam met het tetragrammaton
weergegeven in een oud-Hebreeuws schrift.