Tijdens de verovering van de Israëlieten op het
land Kanaän kwamen zij in conflict met de koning van
Arad. Een aantal inwoners wist aan de vernietiging te ontkomen
waaronder de koning van Arad. Maar hij werd later, tijdens
Jozua’s veldtocht waarin hij 31 koningen versloeg, overwonnen
- zie Jozua 12:14.
In Tel’Arad, in bijbelse tijden Arad genoemd, vindt
men nog de ruïnes van een vesting. De plaats ligt in
de Negeb woestijn in Israël en is van belangrijke historische
waarde. Men heeft hier rond 1965 ongeveer 200 ostraka of aardewerkscherven
gevonden uit de zevende eeuw voor Christus. Ongeveer de helft
van deze potscherven zijn in het oud-Hebreeuws geschreven;
de overige in het Aramees.
Waarom schreef men op afgedankte stukken aardewerk? Het
antwoord gaat in de praktische richting. In oude
tijden was schrijfmateriaal, zoals papyrus of velijn, heel
kostbaar. Een alternatief was het schrijven op stukken aardewerk
van gebroken potten of kruiken. Klei was goedkoop, werd veel
gebruikt, en gebroken potten waren er overal te vinden. Zodoende
schreef men vaak “brieven” of boodschappen op
zulke potscherven.
Op één van de potscherven is er sprake
van “het huis van JHWH”. Op de potscherf staat
een persoonlijke brief in het oud-Hebreeuws. De brief was
afkomstig van een dienaar van Eljasib. Hij begon met de woorden:
“Aan mijn heer Eljasib. Moge JHWH uw vrede zoeken”.
Hij eindigt met: “Hij woont in het huis van JHWH”.
Het was in die tijd nog gebruikelijk de naam van God
in religieuze geschriften te gebruiken. Maar wat is er zo
opmerkelijk aan deze ostrakon? Wel, het is leuk hier een voorbeeld
te zien van een persoonlijke mededeling waarin eveneens de
Goddelijke Naam genoemd wordt. Dit is ook het geval met de
Lachis-brieven die ook persoonlijke boodschappen bevatten
(zie elders in onze pagina archeologie).