Ook van andere brieven willen we de vertaling
weergeven:
Ostrakon II:
“Aan mijn heer Jaos. Moge YHWH doen horen
aan mijn heer een tijding van vrede, nu vandaag, nu vandaag!
Wie is uw knecht - een hond, dat mijn heer zijn [kn]echt gedenkt?
Moge YHWH mijn heer de eerste laten zijn. Vertel wat gij niet
weet.”
Ostrakon III:
“Uw knecht Hosajahu zendt om te bericht[en
aan] mijn [he]er J[a]o[s]. Moge YHWH doen horen aa[n] mijn heer
een tijding van vrede en een tijding van geluk. Welnu, open
toch het oog van uw knecht voor de brief die gij hebt gezonden
aan uw knecht gisterenavond! Immers het hart van uw knecht is
ziek sinds uw zenden aan uw knecht en omdat mijn heer zegt:
'Niet weet gij een brief te lezen! Zowaar YHWH leeft! Indien
iemand ooit heeft beproefd om aan mij een brief voor te lezen!
En ook elke brief die tot mij komt - als ik die heb gelezen,
kan ik de [la]ter weergeven geheel en al. En aan uw knecht is
bericht, zeggende: afgedaald is de overste van het leger Konjahu,
de zoon van Elnatan, om te komen naar Egypte. En Hodawjahu,
de zoon van Achijahu, en zijn mannen - hij heeft gezonden om
mee te nemen van hier. En de brief van Tobijahu, de knechts
des konings, die is gekomen bij Sallum, de zoon van Jada, van
de kant van de profeet, zeggende: Hoed u! - uw knecht heeft
die aan mijn heer gezonden.”
Ostrakon V:
“Moge [YHWH] doen horen [aan] mijn heer
[een tijding van vrede] en [nu vandaag], nu [vandaag!] Wie is
uw knecht - een hond dat gij hebt [gez]onden naar uw knecht
de brie[ven] aldus? Uw knecht zendt nu terug de brieven aan
mijn heer. Moge YHWH u doen zien de oogst in geluk vandaag!
Moge Tobijahu aan uw knecht koninklijk zaad br[en]gen."
Ostrakon VI:
“Aan mijn heer Jaos. Moge YHWH mijn heer
deze tijd vrede doen zien! Wie is uw knecht - een hond dat mijn
heer heeft gezonden [de brie]f van de koning [en] de brieven
van de overst[en], [zeggen]de: lees toch! En zie, de woorden
van de [oversten] zijn niet goed, doordat zij zwak maken [uw]
handen [en laten zin]ken de handen van de ma[nnen]... Hij weet...
Mijn heer, zult gij niet schrijven aa[n hen], [zeggende]: [Waar]om
doen jullie zoiets [en wel in Jeru]zalem?! Z[i]e, aan de zijde
van de koning [en aan zijn huis d]oen jullie deze zaak! Zowaar
YHWH uw God leeft! Vo[orwaar, sinds] uw knecht heeft gelezen
[deze] briev[en], was er ni[et voor uw] kn[echt enige rust]."
Ostrakon IX:
“Moge YHWH doen horen aan mijn [hee]r
een t[ijding] van vrede en [geluk]! Wel[nu] geef brood 10 en
[wij]n 2. Stuur terug [aan] uw knecht een woord door de hand
van Selemjahu wat wij morgen zullen doen.”
Met betrekking tot het gebruik van de Goddelijke
Naam zijn deze Ostraka uitermate interessant. Op nagenoeg alle
leesbare ostraka staan worden als "Moge YHWH mijn heer
zelfs nu goede tijdingen doen horen!” Een bewijs dat de
Goddelijke Naam veel werd gebruikt en dat er in die dagen nog
geen bijgeloof bestond om de naam niet te gebruiken!
Bron voor de tekst van de ostraka: "Neem een boekrol
en schrijf - tekstvondsten uit het oude Israël" (van
Klaas A.D. Smelik.
|