De
'Mesasteen' of 'Moabitische Steen' |
|
De Mesasteen wordt ook wel de stèle de Mesha genoemd
(Frans) of de Moabitische steen. Speciaal aan deze archeologische
vondst is dat de steen niet gedurende een opgraving werd ontdekt.
Toen de Mesasteen gevonden werd lag zij niet onder maar op
de grond.
|

Facsimile gemaakt door B. Bonte
|
Over de verdere geschiedenis doen verschillende verhalen
de ronde. Volgens “Op steen en klei” door Henri
Michaud, werd de steen opgemerkt door de Duitse zendeling
F. A. Klein in de ruïnes van Dhîban in het jaar
1868. De ware vinder echter schijnt Clermont-Ganneau te zijn
geweest die in die tijd een betrekking had bij het Franse
consulaat in Jeruzalem. Hij had van de steen horen spreken
en hij had een gedeelte laten overschrijven. Dit afschrift
bevindt zich tegenwoordig naast de stèle in het Louvre.
Hij begreep uit dit afschrift dat de steen waardevol moest
zijn. Hij wilde er een afdruk van hebben, liet die ook maken,
maar deze werd in stukken gescheurd bij een twist onder de
bevolking. Hij wilde de Mesasteen kopen maar in de ogen van
de Arabieren was hij te gretig. De bevolking die niet kon
begrijpen dat hij een, in hun ogen, ‘waardeloze’
steen wou kopen dachten dat er een schat van waarde in de
steen verborgen moest zitten. Om dit na te gaan werd rondom
de steen vuur aangestoken. Toen de steen eenmaal verhit was
goot men er koud water op. Door de grote temperatuurschommeling
sprong de steen uit elkaar. Er werd geen schat gevonden. Clermont-Ganneau
kon toch nog de stukken kopen en deze kwamen in het bezit
van het Louvre.
De stèle nu bestaat uit een reconstructie van
oorspronkelijke fragmenten en herstelde delen uit gips dankzij
de afdruk van de stèle in zijn geheel.
De steen is van Basalt, heeft een hoogte
van 1,15 meter en een breedte van 60 centimeter. De taal is
Fenicisch. De steen wordt gedateerd rond 800 voor Christus.
Op deze steen doet Mesa, de koning van Moab, zijn verhaal van
zijn opstand tegen Israël. Kemos is de God die hij vereerd.
Op deze steen staat de volgende tekst:
|
|
“Ik ben Mesa, de zoon van
Kemos(.Jat), de koning van Moab, de Diboniet. Mijn vader
was koning over Moab dertig jaar, en ik was koning na
mijn vader, en ik maakte deze hoogte voor Kemos in Kericho
(…). Hij heeft mij immers verlost van alle koningen
en heeft mij doen neerzien op al mijn vijanden.
Omri was de koning van Israël, en hij verdrukte Moab
vele dagen, immers Kemos was vertoornd op zijn land. En
zijn zoon volgde hem op, en hij zei, ook hij. Ik zal Moab
verdrukken! In mijn dagen zei hij (zo), en ik zag op hem
neer en op zijn huis, en Israël is te gronde gegaan
voor eeuwig! En Omri had in bezit genomen het gehele (la)nd
Medeba, en hij woonde daar zijn dagen en de helft van
de dagen van zijn zoon, veertig jaren, maar Kemos deed
het (terugke)ren in mijn dagen! En ik bouwde Baäl
Meon, en ik maakte erin het reservoir, en ik (bouwde)
Kirjaten. En de man(nen) van Gad woonde(n) in het land
van Atarot van eeuwigheid af, en de koning van Israël
bouwde voor zichzelf Atarot, en ik vocht tegen de stad,
en ik nam haar in, en ik doodde heel het volk van de stad
als ~ voor Kemos en voor Moab, en ik deed terugkeren vandaar
de haard van het altaar van zijn Lieveling, en ik (sl)eepte
die voor het aangezicht van Kemos in Keriot, en ik deed
daar de man(nen) van Saron wonen en de man(nen) van Maharit.
En Kemos zei tot mij: Ga, neem Nebo op Israël; en
ik ging in de nacht, en ik streed ertegen van het aanbreken
van de dageraad tot de middag, en ik nam het, en ik doodde
alles ervan,
zevenduizend m(annen) en (…) en vrouwen en (…)
en dienstmaagden; immers voor Astar Kemos had ik het met
de ban geslagen. En vandaar nam ik (de va)ten van JHWH,
en ik sleepte deze voor het aangezicht van Kemos.
En de koning van Israël had gebouwd Jahaz, en hij;
zat daar in zijn strijden tegen mij, en Kemos verdreef
hem van voor (mijn) aangezicht, (en) ik nam van Moab tweehonderd
man, geheel zijn ~ en ik bracht deze tegen Jahaz, en ik
heb het genomen
om het toe te voegen aan Dibon.
Ik heb gebouwd Kericho, de muur van de bossen en de muur
van de citadel, en ik heb gebouwd zijn poorten, en ik
heb gebouwd zijn torens, en ik heb gebouwd het huis van
de koning, en ik heb gemaakt het tweevoudig reservoir
voor de bron in het binnenste van de stad, in Kericho.
En er was geen put in het midden van de stad, en ik zei
tot geheel het volk: Maakt u voor u een man een put in
zijn huis! en ik groef de grachten van Kericho door middel
van Israëlitische gevangenen.
Ik heb gebouwd Aroër, en ik maakte de heerbaan in
de Arnon. Ik heb gebouwd Bet Bamot, immers dat was verwoest.
Ik heb gebouwd Bezer, immers (het lag in) ruïnes.
(En de ma)n(nen) van Dibon stond(en) in slagorde, immers
geheel Dibon was gehoorzaam. En ik ben de koning (over)
honderden in de steden die ik heb toegevoegd aan het land,
en ik heb gebouwd (het huis van Mede)ba en het huis van
Diblatain en het huis van Baäl Meon, en ik voerde
daar (…) kudden van het land.
En Hauranaïm, daar woonde (…). En Kemos zei
tot mij: Daal af, strijd tegen Hauranaïm! En ik daalde
af (…) en Kemos (deed het terug)keren in mijn dagen.’
|
Verder is de tekst te beschadigd om nog te vertalen.
In het Oud Hebreeuws vormden verschillende
medeklinkers woorden, die gescheiden werden door middel van
stippen (punten). Zinnen werden gescheiden door verticale streepjes.
Men leest van rechts naar links. De taal op de Mesasteen lijkt
heel veel op het Hebreeuws zoals te verwachten zou zijn aangezien
de Moabieten afstammelingen waren van Abrahams neef Lot.
Voor de Goddelijke Naam is vooral de rechterzijde
van de 18de regel van belang. Daar staat namelijk 'YHWH'. De
conclusie is onvermijdelijk dat de Goddelijke Naam in de vorm
van YHWH bekend was aan Mesa en zijn tijdgenoten!
|
|
Interessant om op te merken is dat het
Bijbelse verslag van 2 Koningen hoofdstuk 3 zich afspeelt in
dezelfde periode. In vers 4 wordt koning Mesa zelfs met naam
vernoemd: "Mesa nu, de koning der Moabieten, was een veehandelaar,
en bracht op aan den koning van Israel honderd duizend lammeren,
en honderd duizend rammen met de wol" - Statenvertaling.
Om het boek 'Het verhaal van de bijbel'
te citeren (blz. 32-34 - uitgegeven door het Belgisch Bijbelgenootschap
1985): "In 2 Kon. 3 wordt bericht dat een gezamelijk leger
uit Israel, Juda en Edom het land Moab binnenvalt, als Mesa
in opstand is gekomen. Volgens dit verhaal wordt geheel Moab
verwoest en Mesa opgesloten in een vestingstad. Slechts door
het offeren van zijn oudste zoon op de stadsmuur, weet Mesa
een volledige nederlaag te voorkomen." Het Bijbelse relaas
verschilt dus nogal met wat Mesa op zijn steen liet zetten.
|
naar boven
|