Twee geleerden van Oxford, Bernard P. Grenfell en Arthur
S. Hunt, werden door het door Groot-Brittannië gesponsorde
'Egypt Exploration Fund' op het einde van de negentiende eeuw
naar Egypte gestuurd om ter plaatse opzoekingen te doen. Een
plaats met de naam Behnesa klonk dhr. Grenfell veelbelovend
in de oren vanwege de oude Griekse naam ervan – Oxyrhynchus.
Deze stad was in de 4de en 5de eeuw een centrum geweest van
het Egyptische christendom. De geleerden hoopten in Behnesa
fragmenten te vinden van christelijke literatuur doch hun
opzoekingen op kerkhoven en vervallen huizen leverden niets
op. Alleen de afvalbergen van de stad bleven over en sommigen
waren daarvan wel 9 meter hoog! Ondanks de povere vooruitzichten
ging men ook daar aan de slag. In januari 1897 deed men een
proefboring en binnen het uur vond men oud papyrusmateriaal.
In iets meer dan 3 maanden werden bijna 2 ton papyri opgegraven.
Ook in de jaren nadien vond men nog vele documenten.
De meeste documenten waren geschreven door, wat men noemt,
gewone mensen. Hierdoor werd het bewijs geleverd dat het koine-Grieks
de gebruikelijke taal was van de gewone man. Men vond ook
fragmenten van Bijbelhandschriften zonder veel versiering
en van slechte kwaliteit. Letterlijk de Bijbel van de gewone
man.