In 1961 begon een groep experts de grotten van Nahal
Hever, in de dorre wildernis ten westen van de Dode Zee, te
onderzoeken. Ze zetten hun leven op het spel toen zij afdaalden
langs de steile rotsen en zich tachtig meter diep in een smalle
spelonk lieten zakken. Wat ze hier beneden ontdekten was zo
gruwelijk dat grot nr. 8 uit dit district de bijnaam kreeg
“de gruwelgrot”. De ontdekkers kwamen terecht
tussen ongeveer veertig skeletten van volwassenen en kinderen
die zich in de eerste eeuw hier verborgen hadden. Deze mensen
waren volgelingen geweest van de Joodse leider Bar Kochba.
Tijdens hun verblijf in de grot waren Romeinse soldaten op
de top van de rots gelegerd. Ze zaten dus letterlijk in de
val en zijn vermoedelijk van honger en dorst omgekomen.
De onderzoekers deden hier nog een andere belangrijke
ontdekking, een die veel te maken heeft met de naam van God.
Ze vonden in de grot oude handschriften. De negen gevonden
fragmenten maakten oorspronkelijk deel uit van een oude lederen
rol die de Bijbelboeken Hosea tot en met Maleachi bevat moet
hebben en daarom ook wel “de kleine profetenrol”
wordt genoemd. De tekst was in het Grieks geschreven, de algemeen
gebruikte taal uit die tijd, en gedateerd tussen 50 voor Christus
en 50 na Christus. Deze periode omsluit dus de tijd dat Jezus
geboren is.
Wat wist men toen over de naam van God ?
Daar de Griekse Septuaginta, die in Jezus tijd algemeen
gebruikt werd, het tetragrammaton vervangen had door Kurios,
wat 'Heer' betekent, veronderstelde men dat de eerste christenen
Gods naam niet gebruikten. Doch de gevonden fragmenten maakten
een eind aan de theologische discussie of Jezus en zijn apostelen
de Goddelijke Naam Jehovah of Jahweh gebruikt hebben of niet.
Deze fragmenten die in het Grieks geschreven waren bevatten
namelijk Gods Naam in een oud Hebreeuws schrift. Er wordt
hiermee aangetoond dat Gods naam nog wel degelijk bekend was
aan de Joden uit die tijdsperiode en dat hij ook gebruikt
werd. Dat Jezus de naam van zijn Vader heiligde en gebruikte
blijkt trouwens ook uit Bijbelteksten zoals Mattheüs
6:9 en Johannes 17:6
Hieronder zien we twee fragmenten die gevonden werden
in deze grot. Het eerste en grootste fragment bevat gedeelten
uit Habakuk, onder andere 2:15-20 en 3:9-14. Hierop staat
twee maal het tetragrammaton afgebeeld in een duidelijk ander
lettertype, namelijk Oud-Hebreeuws. Het tweede fragment bevat
gedeelten uit Zacharia, onder andere 8:20 en 9:1, 4. Hierop
zien we ook tweemaal het tetragrammaton afgebeeld, in een
eerste eeuws Hebreeuws lettertype.